Elisabeth Eybers’ persoonlijke boekerij in collectie Zuid-Afrikahuis
Oktober 23, 2012
De FAK-Sangbundel volume II: 30 jaar Afrikaanse muziek
Oktober 23, 2012

Door prof. Danie Goosen, directievoorzitter FAK

Onlangs klaagde een Afrikaanssprekende professor aan de Universiteit van Pretoria (UP) dat de Afrikaanse studenten op die campus niet genoeg blootstelling krijgen. Ze schrijft dit toe aan de colleges in het Afrikaans, die volgens haar de studenten isoleren en zo verhoeden om in aanraking te komen met de ‘buitenwereld.’

Hoewel de professor het niet letterlijk zo gezegd heeft, zegt ze hiermee eigenlijk dat Afrikaanse studenten beter Engelse colleges kunnen bijwonen. Dit zou studenten in staat stellen om hun isolatie te doorbreken.

Hieronder wordt aangevoerd dat het standpunt van de professor berust op twijfelachtige waarnemingen en uitgangspunten:

1) Anders dan wat de professor te kennen geeft, zijn Afrikaanssprekenden in het algemeen en Afrikaanse studenten in het bijzonder nog nooit eerder in hun geschiedenis in zo’n mate blootgesteld geweest aan de buitenwereld dan het geval is anno 2012.

Dit blijkt onder andere uit het feit dat Afrikaanssprekenden (dus ook studenten) vandaag de dag waarschijnlijk een van de meest mobiele taal- en cultuurgemeenschappen vormen. Ze reizen de hele wereld over; werken en doen zaken op elk continent – ook in Afrika; wonen wereldwijd congressen bij en door middel van de nieuwe media worden ze blootgesteld aan alle nieuwe ideeën, veranderend gedachtegoed of wereldbeschouwingen.

Trouwens, vanwege hun hoge mobiliteit kan met recht de vraag gesteld worden of ze vandaag de dag niet aan overmatige blootstelling lijden. Verder kan met recht de vraag worden gesteld of de enkele ruimten waarin er nog een relatief beschermd Afrikaans leven mogelijk is (zoals een college in het Afrikaans op de campus van de UP) niet een hoogst noodzakelijk psychologisch en sociaal antwoord is op die overmatige blootstelling?

Degenen die Afrikaanse studenten beschuldigen van een gebrek aan blootstelling weten kennelijk niet over welke competenties zij beschikken. Nog minder begrijpen zij dat er onder die studenten een dringende behoefte bestaat aan uitmuntende plekken waar zij nog samen met hun taalgenoten kunnen denken en verbeelden, zoals in het academische leven.

2) Ook vanwege hun grotere tweetaligheid (vergeleken met slechts een of twee geslachten terug) zijn Afrikaanssprekenden als nooit tevoren blootgesteld aan de buitenwereld.

Dit gegeven is vooral van toepassing op jonge Afrikaanssprekenden, die vandaag zo vaardig zijn in het Engels dat het in sommige gevallen de vraag is of het nog zinvol is om een onderscheid te maken tussen eerste en tweede taal.

Het bijwonen van colleges in het Afrikaans door deze studenten is geen aanduiding dat zij zichzelf isoleren van de buitenwereld. Integendeel, het is eerder een aanduiding van het feit dat ze de meest natuurlijke behoefte denkbaar hebben om te midden van hun radicale blootstelling ook in een eigen Afrikaanse wereld te denken, te scheppen en te wonen.

3) De opmerkingen van bovengenoemde professor weerspiegelen een houding die reeds vanaf de 19de eeuw als een donkere schaduw de Afrikaanse wereld vergezelt, namelijk een diepgewortelde minderwaardigheid ten opzichte van de ‘buitenwereld’. Terwijl laatstgenoemde dikwijls verbonden wordt met begrippen als ‘open’, ‘vrij’, ‘vooruitstrevend’ en ‘realistisch’, wordt de Afrikaanse wereld steeds gelijkgesteld aan begrippen als ‘gesloten’, ‘eng, ‘primitief’ of ‘onrealistisch’.

Door vandaag de dag tegen Afrikaanse studenten te zeggen dat het beter is om hun colleges in het Engels te volgen, wordt deze minderwaardigheid in stand gehouden – ironisch genoeg uit naam van vooruitgang.

4) Genoemde professor veronderstelt dat het vandaag niet mogelijk is om aan de universiteiten op een onbevangen manier in het Afrikaans te denken; dat we niet in het Afrikaans kunnen ontdekken, openen en verbeelden; of dat het vandaag onrealistisch is om jouw ding in het Afrikaans te doen.

Dat is echter onzin. De talloze scheppende Afrikaanse schrijvers en academici die vandaag nog hun werk in het Afrikaans doen, zijn daar levende getuigen van!

En laten we niet vergeten; een relatief beschermde taalomgeving is niet zelden de voorwaarde voor scheppend werk. Vraag maar aan schrijvers als Cervantes, Shakespeare, Goethe of Dostojevski aan welke andere talen dan hun moedertaal zij blootstelling hebben gehad.

5) Roger Scruton heeft in een recente publicatie aangevoerd dat een beduidende groep academici lijdt aan ‘oikofobia’ (angst voor het eigen). Dit verschijnsel komt nergens zo duidelijk naar voren als in het onvermogen van vooral Westerse intellectuelen om ‘grenzen’ te stellen rondom het eigen (ook de eigen taalgemeenschap) en om dit in bescherming te nemen.

Grenzen zijn er niet om in te perken, zoals deze academici aanvoeren. Grenzen houden immers ook het chaotische en zinloze op een afstand. Zo maken grenzen het mogelijk dat het zinvolle onder ons kan gebeuren.

Grenzen zijn een onontkoombaar deel van het leven. Dit is ironisch genoeg ook van toepassing op diegenen die zo hard tegen de grenzen van het Afrikaans aanschoppen! Hun voorspraak voor een wereld aan de andere kant van het Afrikaans betekent in de praktijk niets anders dan om binnen andere grenzen – in dit geval van de Engelssprekende wereld – te worden opgenomen.

Blootstelling aan andere taalgemeenschappen geschiedt niet wanneer we afscheid nemen van onze eigen taal. Blootstelling geschiedt eerder in en door onze eigen taal. We kunnen immers de andere talen slechts werkelijk naar waarde schatten omdat we door onze eigen taal aangegrepen en geboeid worden.

Heeft onze professor niet de verantwoordelijkheid om dit inzicht over te dragen aan de studenten van de UP?

Dit artikel is eerder in het Afrikaans verschenen op maroelamedia.co.za  in de rubriek ‘Díe groot debat’

Comments are closed.

error: Content is protected !!